De techniek in een molen


De opbouw van een stellingmolen

De tekening toont een doorsnede van een koren- en pelmolen met zeven zolders.

doorsnede van een stellingkorenmolen, tekening ?

De voet van de molen is bij een korenmolen veelal van steen, al komen ook houten onderbouwsels voor. Vanaf stellinghoogte wordt daarop vaak een achtkantige houtconstructie geplaatst, die wordt bedekt met riet, planken of schalies, maar er komen ook zeskantige molens voor en in Horn (L.) staat zelfs een zestienkantige molen.
Soms wordt de molen op een verhoging gebouwd, een belt of berg en soms wordt de molen in een belt gebouwd. Het voordeel hiervan is dat er dan geen stelling om de molen gebouwd hoeft te worden, omdat de wieken vanaf de grond, de belt, zijn te bereiken.
Een molen die ver boven zijn omgeving moet uitsteken, bijvoorbeeld wanneer hij in de bebouwde kom staat, teneinde daardoor een vrije windvang te hebben, wordt voorzien van een stelling, ook wel genoemd zwichtstelling, omloop, galerij, gaanderij of balie. Vanaf deze stelling bedient de molenaar de molen, bijv. om te kruien, d.i. het met het kruirad, die is bevestigd aan de staart, op de wind zetten van het gevlucht (de wieken) omdat de molen alleen goed kan draaien wanneer hij op de wind staat. Ook worden vanaf de stelling de zeilen voorgelegd.

Molens die d.m.v. het kruirad aan de staartbalk worden gekruid, noemt men buitenkruiers, maar er zijn ook molens waarbij de molen boven in de molenkap wordt gekruid (binnenkruiers) en dit gebeurt dan met een windas met handspaken. Deze molens zijn vaak te herkennen aan hun brede opbouw, de ruime kap en het niet aanwezig zijn van de staart. Vele poldermolens in Noord-Holland, ca. 60, behoren tot dit type.

De kap van de molen ligt in feite los op de molen en is in zijn geheel draaibaar, dit draaien (kruien) gebeurt d.m.v. schuiven of rollen.
De stok die achter uit de kap steekt, is de vang- of wipstok, waaraan het vangtouw is bevestigd. Hiermee kan de molen worden gevangen (stil gezet).


Het inwendige van een korenmolen

In de molen bevinden zich verschillende zolders, zoals de maalzolder, de steenzolder, de luizolder en de kap- of smeerzolder. Al deze zolders hebben een specifieke functie en herbergen essentiele onderdelen. Op onderstaande tekening is het volgende te zien:

molen opbouw, tekening ?

Op de bovenste zolder (de kap- of smeerzolder) bevinden zich
  1. de vang, dit is de rem van de molen, waarmee hij wordt stil gezet
  2. het bovenwiel
  3. de bovenas (of molenas) die veelal van gietijzer is, maar houten assen komen ook nog voor
  4. de kruiring, waarover de kap wordt rondgekruid bij het op de wind zetten
  5. de bonkelaar die bovenop de koningsspil is bevestigd
  6. de koningsspil

  7. op de luizolder bevindt zich
  8. het luiwerk, waarmee zakken graan naar boven worden getakeld
  9. het spoorwiel (takrad)
  10. het steenrondsel
  11. de steenspil
  12. de steenkraan waarmee de stenen worden gelicht om ze te kunnen scherpen
  13. de kaar waarin het graan wordt gestort
  14. de steenzolder
  15. de steenkuip waarin de twee maalstenen liggen
  16. de meelpijp of meelkoker
  17. het lichtwerk
  18. de maalzolder

Met het lichtwerk, wordt de afstand tussen de stenen geregeld. Soms gebeurt dit automatisch door middel van een regulateur.

Met de steenkraan wordt de loper (de bovenste steen) uit de steenkuip getakeld wanneer het scherpsel van de stenen te veel is afgesleten en het graan niet meer goed gemalen wordt. Dit scherpen noemt men billen en gebeurt met bilhamers. Het is een tijdrovend en zwaar karwei.


Het gaande werk in een korenmolen

gaande werk, tekening ?

In een molen zitten verschillende wielen die alle van hout zijn gemaakt. Ze grijpen door middel van kammen en staven in elkaar en brengen de draaiende beweging van de wieken over naar de diverse werktuigen.

De twee roeden, of de vier wieken (samen het gevlucht), zijn met wiggen vast geklemd in de kop van de bovenas (a).

De kammen van het bovenwiel (b) grijpen in de kammen van de bonkelaar (c), hierdoor gaat de koningsspil (d) draaien.

Aan de koningsspil zit een stuk lager de luitafel vast die samen met de luias met daaraan het luiwiel en het gaffelwiel het luiwerk (e) vormt. Hiermee kunnen de zakken met graan of meel op windkracht omhoog of omlaag getakeld worden.

Nog weer een stuk lager zit het spoorwiel (f), dat de draaiing weer door geeft aan het rondsel of steenschijfloop (g). Hierdoor gaat de steenspil (h) draaien en ook de bovenste molensteen, de loper.

De onderste steen, de ligger, ligt stil. De twee stenen liggen samen in de steenkuip (i). Tussen de stenen, die beide zijn voorzien van waaiervormige kerven, het bilsel of scherpsel genaamd, wordt het graan vermalen. Via de meelpijp wordt het op de lager gelegen zolder, de maalzolder, als volkoren meel in zakken opgevangen. Wanneer het volkoren meel daarna ook nog wordt gebuild (gezeefd), wordt het gescheiden in bloem, griesmeel en zemelen.


De werking van een korenmolen

Voordat een molen gaat draaien, zal de molenaar eerst de windrichting bepalen. Daarna worden de bliksemafleiderkabel, de roedeketting en de krui- en belegkettingen losgekoppeld, waarna hij met het kruirad (onder aan de staartbalk) de kap met de wieken op de wind kruit. Vervolgens klimt hij in de wieken om de zeilen voor te hangen. Daarvoor bevestigt hij de litsen (lussen) aan de diverse kikkers (soort haken) op de roeden.

Zeil voorleggen is een karwei dat, afhankelijk van het type molen, op grote hoogte geschiedt en dus dient de molenaar geen last van hoogtevrees te hebben.
Afhankelijk van de windsterkte zullen de zeilen vol of voor een gedeelte (gezwicht) bevestigd worden op alle vier de wieken of op twee tegenover elkaar staande wieken.

Er zijn molens die een wiekconstructie hebben waarmee geen zeilen gevoerd hoeven te worden. Zo zijn bijvoorbeeld veel molens in het noorden van het land voorzien van een jaloezieconstructie zelfzwichting. Ook zijn er wieksystemen waarbij gebruik wordt gemaakt van kleppen in de lengterichting van de roede (Ten Have- en Van Riet-remkleppen). En dan is er nog een gekombineerd systeem met aan de voorzijde van de roe een soort klep en achter de roe het hekwerk voor het zeil (fokwieken).

Tenslotte wordt de vang (een houten of metalen remvoering om het bovenwiel) gelicht, waarna de wieken gaan draaien. Wordt er ook graan gemalen, dan wordt voordat de vang wordt gelicht, de steenspil in het werk gezet, waardoor de stenen worden rondgedraaid (zie ook hierboven over het gaande werk).

Op de kap- of smeerzolder wordt de bovenas (met reuzel) gesmeerd evenals het kruiwerk. Op veel molens wordt vanaf deze zolder ook de wimpel gehesen.

Door het draaien van de bovenas met het bovenwiel wordt de bonkelaar (in sommige molens een rondsel) aangedreven welke boven op de koningsspil bevestigd is. Onder aan deze koningsspil zit het spoorwiel dat het rondsel van de steenspil in beweging brengt. Daardoor gaat de bovenste steen, de "loper", draaien over de onderliggende steen, die "ligger" wordt genoemd. Een maalkoppel bestaat dus uit twee molenstenen, waarvan de bovenste draait en onderste stil ligt. Het graan wordt gelijkmatig via de kaar en de schuddebak in het kropgat tussen de molenstenen gevoerd en er tussen vermalen. Via de meelpijp en de maalbak wordt het meel op de maalzolder in zakken opgevangen.

Afhankelijk van de windsnelheid zal er meer of minder maalgoed (veelal graan of mais) tussen de stenen komen en zal de molenaar de afstand tussen loper en ligger respectievelijk iets moeten verkleinen of vergroten om ervoor te zorgen dat het graan gelijkmatig fijn gemalen wordt. Hiervoor maakt hij gebruik van een hefboommechanisme, dat het lichtwerk wordt genoemd, waarmee hij de afstand tussen beide molenstenen kan bijstellen. In sommige molens gebeurt dit automatisch d.m.v. een regulateur.


halslager in De Liefde, foto W. Jans

Gietijzeren halslagers

In de provincie Groningen staan meerdere molens waarvan de as in een gietijzeren halslager draait. In enkele molens is dit lager vervangen, maar is het oorspronkelijk gietijzeren halslager nog aanwezig. Ook in de koren- en pelmolen De Liefde te Uithuizen draait de as in een gietijzeren halslager.
Sommige molens hebben een halslager met een zelfinstellend bovendeel. Hierbij bestaat het lager uit twee delen, waarbij het bovendeel zich voegt naar de ligging van de as.
In het Drentse Oudemolen ligt in de molen 'De Zwaluw' eveneens een Groninger gietijzeren halslager.
Bekijk de 15 foto's van deze bijzondere "halsstenen" (pdf 2.649.099 k).

Het halslager in de molen De Liefde. Foto: W. Jans.


bovenschijfloop, foto W. Jans

Bovenschijfloop


In de provincie Groningen hebben vrijwel alle molens een bonkelaar. Een uitzondering daarop vormen de koren- en pelmolens De Liefde te Uithuizen en de Molen Edens in Winschoten waarin een bovenschijfloop voorkomt. Uiteraard hebben de standerdmolens in Ter Haar en Bourtange ook een schijfloop.

Het rondsel of bovenschijfloop in de molen De Liefde heeft 35 gestreken staven.
Foto: W. Jans.


Type en functie van de molens

In ons land komen vele molentypen voor die verschillende vormen en toepassingen kennen. Ze kunnen worden ingedeeld naar bijv. de energiebron (wind of water), de bouwwijze, de bouwplaats, het gebruikte materiaal, het kruisysteem, het uiterlijk en de functie. In de molenliteratuur is daar uiteraard veel over te lezen, daarom hier een summiere opsomming.
Naast de boven beschreven stellingmolen vinden we bijv. nog de binnenkruier, de torenmolen, de standerdmolen, de paltrokmolen, de wipmolen, de spinnenkop, het weidemolentje en de tjasker.

De molens werden vroeger in velerlei ambachten toegepast. In de Patentwet van 21 mei 1819 worden de volgende genoemd:
koren-, gort-, grut-, pel-, boekweit-, cichorei-, chocolaad-, gouddraadtrekkers-, hennepkloppers-, houtzaagmolens, hout-, ijzer- en staaldraaijersmolens, karottenmolens, keijen-, marmer-, steen-, tras-, orseille-, krijtweedas-, pijpaarde- en kleimolens, kalanders- en glanzersmolens, koper-, lijnkoek-, loodwit-, loodplet-, mosterd-, mout-, oliemolens, polijst-, scherp- en slijpmolens, steen- en marmerzaagmolens, schors-, taan-, stamp-, stijfsel-, poeder-, snuif- en tabaks-kerfmolens, verf-, vol- en zeemtouwersmolens. Tevens waren er buskruit-, blauwsel-, boor-, branders-, cement-, papier-, porselein-, schelpzand- en specerijmolens.

In met name Noord- en Zuid-Holland, het westen van Utrecht, Friesland en in Groningen vinden we vele poldermolens die niet alleen in vroeger eeuwen het land hebben drooggemalen, maar soms ook nu nog werkzaam zijn in de waterbeheersing.
In het midden, oosten en zuiden van het land vinden we nog diverse watermolens, d.w.z. molens die niet door de wind, maar door het water worden aangedreven. De molen op de afbeelding, de "Mallumse Molen" bij Eibergen, is zowel een koren- als een pelmolen.

Een revival beleven de windmotoren, ook wel Amerikaanse windmotor of spookmolen genoemd. Het type kwam in veel provincies voor maar werd vrijwel overal gesloopt. Nu wordt de molen - na restauratie - vaak ingezet in natuurgebieden, waar het een actieve bemalingsfunctie krijgt, zoals in het door het Groninger Landschap in uitvoering zijnde natuurproject "Water over Wolfsbarge".


Bourtange, foto Groninger molenarchief

Oude molenbouwtechnieken


In de molenbouw is goed te zien hoe oude technieken niet alleen hand in hand gaan met modernere methoden, maar soms ook naast elkaar worden toegepast. Het gebruik van hoogwerkers en kranen is tegenwoordig usance, doch wanneer dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld door de bodemgesteldheid of in verband met de bereikbaarheid, dan grijpt men weer terug op de oude methoden.

In dit blokje laat ik van deze oude technieken enige voorbeelden zien, waarmee een beeld wordt geven van hoe molenmakers in vroeger tijden hum ambacht uitoefenden.

Een eerste voorbeeld is het steken van de lange spruit in de verdwenen korenmolen te Bourtange. De rechtmast die voor dit karwei werd gebruikt is verlengd met een steng.

Zowel bij het vernieuwen als bij de afbraak van een molen was het steken, c.q. het verwijderen van de as een spectaculair gebeuren. Een oude opname, afgedrukt in het blad Het Noorden in Woord en Beeld van 24-9-1926, toont het steken van de as bij de molen Bijo te Warffum.

Uiteraard trokken dergelijke werkzaamheden veel bekijks en een enkele keer is hiervan een fotoreportage gemaakt, zoals te Oudemolen in Drenthe, waar de Groninger molenmaker Bremer in 1951, in de molen 'De Zwaluw', de as op traditionele wijze heeft gestoken. (pdf 1.606.846 k)

veendermolen 1934

Het steken van de roeden was 'teamwork', waarbij veel hulp oftewel spierkracht nodig was, zoals op diverse foto's is te zien. (pdf 1.495.975 k)

In later jaren wordt bij het steken van de roeden gebruik gemaakt van lieren, zoals o.a. op de foto hiernaast is te zien, gemaakt in 1934 van de Veendermolen Z.H..


molenas

Molenassen

Een bekende naam op het gebied van gegoten molenassen is J. M. de Muinck Keizer, die zijn bedrijf aanvankelijk te Martenshoek (Gr) had en later verplaatste naar Zuilen bij Utrecht. Hier kwam het tot grote bloei en werd het bekend onder de naam DEMKA.
Over deze ondernemer in hart en nieren en zijn bedrijf vermeld ik enige biografische en zakelijke bijzonderheden: J. M. de Muinck Keizer. (pdf 662.912 k)


Deze pagina is onderdeel van   de-liefde-logo   de homepage van B. D. Poppen.
owl

updated           ∴       Copyright © 1999/2015             up